Juni 2013Syrië

De oorlog in Syrië leidt in het Westen tot verwarring. Dat Mient Jan Faber in 2003 de volkenrechtelijk onrechtmatige en op leugens gestoelde Amerikaans-Britse invasie in Irak steunde, schreven mensen soms nog toe aan de niet altijd goed in te schatten persoonlijkheid van Faber. Maar eind april werden we opgeschrikt met een artikel in Trouw van Jan Jaap Oosterzee onder de kop ‘Tijd voor militaire ingrijpen in Syrië is aangebroken’, waarin deze namens IKV-Pax Christi pleitte voor ‘bommen op Syrische vliegvelden’. Anderen vragen om het leveren van wapens aan de rebellen.

Terwijl ik deze column schrijf, kondigt de Braziliaanse VN-gezant Paulo Sérgio Pinheiro een rapport aan van zijn onderzoeksmissie. Vergeleken met een onderzoek in Syrië van drie maanden eerder schetst hij nu een “totale verslechtering” en een toenemende “radicalisering” van de rebellen. Hen als “engelen” zien, noemt hij een misverstand. “Er is slechts een minderheid van strijders die nog een staat voor allemaal wil, laat staan een democratie”, zo meent hij. Verreweg de meeste rebelleen staan volgens hem “heel ver af van democratische gedachten en hebben andere aspiraties”. Pinheiro liet doorschemeren dat bij eventuele wapenleveranties van Engeland en Frankrijk “het onderscheid tussen de slechte en goede rebellen moeilijk te maken is”, (ook al denken de VS dat nu wel te kunnen, zij het dat die dit slechts beperkt en omzichtig gaan doen).

Het zich richten op het doen winnen van een van de partijen lijkt hoe dan ook nogal glibberig. Vanuit de vredesoptiek is dat overigens helemaal geen optie, hoe groot ook ons onbehagen is over het bloedvergieten in Syrië. Vredesmensen weten dat geweld zijn eigen dynamiek heeft. Als er geen bestand is die door beide partijen wordt gewild, betekent militaire interventie verheviging van de strijd. Dit ook omdat beide partijen dan willen laten zien wie de sterkste is. Maar het betekent vooral partij worden in het conflict, dus verlies van onpartijdigheid, wat volkenrechtelijk en polemologisch een ‘doodzonde’ is. Bovendien is bij grote mogendheden het humanitaire nogal eens een schaamlap voor geopolitieke of economische machtsoverwegingen, zonder dat ze daar openlijk voor uitkomen.

Zeker voor vredesactivisten is het zaak om hier niet op in te spelen. Te meer omdat mensen militaire interventie nogal eens verwarren met peacekeeping na een door beide partijen overeengekomen vrede of bestand, waarvoor deze derden vragen die te bewaken als blauwhelmen. Ik ga niet in de stijl van Jan Pronk bedanken voor het lidmaatschap van IKV-PaxChristi; de organisatie is in de derde wereld immers functioneel bezig. Het voorstel bommen te gooien op vliegvelden was zwak. Zoiets verwacht je niet direct van een vredesorganisatie. Laat ik het maar gaan zien als een eenmalige beroepsmistap.

Dit artikel verscheen tevens als column in respectievelijk VredesMagazine en magazine De Linker Wang (beide: juli 2013).