24 augustus 2013 Syrië

De Arabische Lente lijkt stuk te lopen op een gepolariseerde wij-versus-zijverhouding in de betrokken landen, zoals nu in Egypte en al langer in Syrië. De historische achtergrond daarvan is ten dele de kunstmatige staatsvorming dwars door etnische en sektarische grenzen heen na de val van het Ottomaanse Rijk, evenals de invloed van een verhoudingsgewijs kort Frans en/of Brits kolonialisme. Maar de machtstegenstelling tussen de seculiere, stedelijke en vaak ook militaire elite en het meer eenvoudige, veelal soennitische volk op het platteland, speelt in deze de hoofdrol. Die tegenstelling – die in wezen neerkomt op onderdrukking van de laatste groep door de eerste, meestal een minderheidsregime, en die in de vorige eeuw al in Turkije leidde tot meerdere militaire coups – groeide in Syrië uit tot een bloedige burgeroorlog.

Geopolitiek
De VS en andere westerse grootmachten manoeuvreren in die tegenstelling vrij dubbel: verbaal de democratie en mensenrechten hooghoudend, maar in de praktijk goede vriendjes zijn met de regimes. Het bondgenootschap van de VS met Saoedi-Arabië is van dat laatste een sprekend voorbeeld. Dat de VS nu vrij stil zijn over de situatie in Egypte en nauwelijks helpen daar de impasse na de militaire coup te doorbreken (bijvoorbeeld door te proberen de gevangen gezette ex-premier Morsi vrij te krijgen en een open dialoog op gang te brengen), is daarvan eveneens een voorbeeld. Opvallend hierbij is dat Saoedi-Arabië geheel aan de zijde van het generaalsregime staat.

Geopolitiek heet dat. De gespierde rede van John Kerry richting Syrië zie ik niet in de laatste plaats tevens in dat licht, ook al vormt het nare gifgasgebruik de aanleiding. Geopolitiek speelde ook al mee in de discussie of het Westen al of niet wapens moest leveren aan de – door Saoedi-Arabië en Qatar gesteunde – rebellen in Syrië. Kerry’s argument dat het gifgasgebruik ‘niet ongestraft’ kan blijven, lijkt in dat licht dan ook grotendeels een doekje voor het bloeden, net als in 2003 de ‘chemische wapens’ in Irak dat waren. De VS zijn immers niet een staat, hoe machtig ook, die andere landen kan ‘straffen’. Daarvoor zijn internationale rechtsprocedures. In plaats van voorbereidingen te treffen voor weer een militaire alleingang is het – over geloofwaardigheid van westerse leiders gesproken – beter in dialoog te gaan met het generaalsregime in Egypte over herstel van de democratie.

Verdeling van macht
Verdeling van kennis, goederen en macht is een gevleugeld vredesideaal. Deel je de macht niet of ondermijn je zoals onlangs in Egypte een prille democratie, dan steun je in wezen de krachten van geweld. Dat het Egyptenaren lukte Mubarak zonder geweld te doen vallen, was een terugslag voor Al Qaida en jihadistische groeperingen, die zweren bij gewapende strijd als juiste strategie. Na de militaire coup, waarbij president Morsi en negen van zijn ‘maten’ zonder rechteloos werden gevangengezet en zeker na het bloedbad daarna, is nu hun reactie: zie je wel, het lukt alleen op onze manier en niet via democratie en geweldloosheid.

Met de dodelijke aanslag op 24 politieagenten in de Sinaï medio augustus lijken ze daarin de daad bij het woord te hebben gevoegd. Helaas was het Morsi-bewind, behalve onervaren, nogal ontactisch in zijn optreden, waardoor het angst opriep, maar dit na één jaar al met geweld naar huis sturen, lijkt nergens op. Zo ondermijn je het geloof in het politiek proces van delen van de macht, dat begon onder de naam Arabische Lente. Dat de EU en Obama die coup niet veroordeelden (gelukkig wel het bloedbad van medio augustus), is dan ook te betreuren. Jonge landen hebben immers, zoals voorheen in het Westen, tijd nodig om zich het democratische spel eigen te maken.

Dit geldt zeker in de Arabische wereld en in Turkije, omdat daar zoals gezegd grote tegenstellingen zijn. Ian Buruma heeft gelijk dat in het Midden-Oosten “democratie nooit lukt zonder een of andere vorm van religiositeit toe te laten in het openbare leven” (NRC Handelsblad, 10 augustus). Het probleem is dat door een jarenlange overheersing van het volk door de stedelijke, seculiere en militaire elite de verhoudingen dermate gepolariseerd zijn dat een compromis moeilijk te bereiken is. De eerste groep pleegt liever een coup dan maar het risico te lopen dat er publiek slechts maar ietsje rekening wordt gehouden met de religie van het volk, terwijl hun tegenspelers voorzichtig gezegd weinig flexibel opereren, of zoals in Syrië overgaan tot gewapend geweld, waardoor het de oude elite gemakkelijk wordt gemaakt om deze ‘uit te drijven’ als politieke islam.

Democratische denken nog pril
Dat Egyptische moslims hun woede op minderheden botvieren, is een indicatie hoe pril het democratische denken er is en nog meer het geweldloze denken. Toch zal het die kant uit (moeten) gaan, waarbij in dialoog, liefst via buitenlandse bemiddeling, een compromis wordt gevonden tussen beide partijen. De weg terug naar de militaire dictatuur staat haaks op de in gang gezette Arabische Lente in dat land. Een compromis lijkt de enig mogelijke uitweg Ook in Syrië. Eerst hoe de impasse tussen de partijen te doorbreken, maar daarna, hoe de democratie gestalte te geven en uit te bouwen en ook hoe daarbij de soennieten (en de christenen) democratisch een rol te gunnen, hoe klein ook.

Laat het Westen zich hiervoor sterk maken, ook jegens de Egyptische militairen, ook al om te voorkomen dat er in Egypte op termijn ook een burgeroorlog uitbreekt. Een aanval op Syrië onder het mom van ‘vergelding’ is, hoe klein ook, al militair partij te kiezen in een burgeroorlog, wat zeer ernstige gevolgen kan hebben.

Dit artikel verscheen eerder in onder meer Gooi & Eemlander en Leidsch Dagblad van 31 augustus en – in een kortere versie – in Het Parool van 25 augustus.