27 december 2013ErdoganGülen

Drie Turkse ministers, die van Binnenlandse Zaken, van Economie en van Milieu, alledrie met zonen behorend tot de 24 mensen die zijn gearresteerd op verdenking van corruptie en omkoping, bieden ontslag aan. Maar premier Recep Tayyip Erdoğan blijft van mening dat de verdenkingen ongegrond zijn en alles is gericht op het ondermijnen van zijn bewind. Hij doelt met het laatste op de invloedrijke Gülenbeweging, die hem voorheen steunde, maar hem de laatste jaren nogal eens herinnert aan het te weinig nakomen van zijn beloften richting meer democratie. Al enkele uren na het nieuws van de arrestaties sprak Erdoğan in een toespraak over “benden” en “duistere groepen” in en buiten zijn land, zoals hij ook in de zomer van 2013 inzake geweldloze protesten omtrent Gezipark sprak van “valstrikken” en “vuile verbanden”. Bovendien volgden er ineens zo’n vijfhonderd ontslagen (en overplaatsingen) bij zowel de politie als onder (hoge) ambtenaren die waren betrokken bij het corruptieonderzoek. Een soort massaontslag, zoals ook opviel in de zomer van 2013 onder journalisten – naar verluidt 59 –, kort na de protesten in het Gezipark. (Dit gebeurt in Turkije helaas vaker, door soms sterke druk vanuit de politiek op de privé-eigenaar van de betreffende kranten.)

Vijand van zichzelf?
De corruptieaffaire en politiezuivering zijn een indicatie van de moeizame worsteling naar meer democratie en gerechtigheid, die sinds enige tijd is ingezet in het land en nu lijkt te stagneren. Dit laatste komt mede doordat premier Erdoğan, die economisch het tij in zijn land mee heeft, een vrij autocratisch bewind voert en moeite heeft met kritiek. Je kunt je afvragen of hij door telkens zo overtrokken te reageren niet de vijand is van zichzelf, dus dat het volk zich van hem afkeert, zoals recente betogingen al aangeven. Een andere scenario is dat hij in hoog tempo doorgaat richting autocratie, zoals het naar zijn hand zetten van politie en rechterlijke macht en ook het sluiten van duizenden ‘avondscholen’, die het reguliere onderwijs ondersteunen. Bij het tweede scenario is niet alleen de democratie in gevaar, maar zit ook de gematigd-religieuze op hizmet (dienst) gerichte waardenbeweging, waar Erdoğan nu zijn pijlen op richt, in de hoek waar de klappen vallen.

Polarisatie en vooroordelen
Die beweging met waarden als vrede, dialoog, democratie en tolerantie werd in de jaren zeventig in het leven geroepen door de – door mystici als Rumi en Nursi beïnvloede – soefiprediker Fethullah Gülen. Deze richtte zich daarin sterk op onderwijs en emancipatie van het achtergestelde platteland, eerst in Anatolië en later ook in het oostelijk, door veel Koerden bewoonde deel van Turkije. Tweespalt, onwetendheid en armoede zijn de drie hoofdproblemen van Turkije, meende Gülen, maar hij riep steeds op geen geweld te gebruiken tegen de oppermachtige elite van Istanbul en Ankara.

Die strategie mag dan een burgeroorlog als nu in Syrië hebben voorkomen, maar dat wil niet zeggen, dat het in Turkije aan polarisatie ontbreekt. Integendeel zou ik haast zeggen. Dit ook rondom de Gülenbeweging, die enerzijds mede via haar dagblad Zaman gezag heeft verworven, maar anderzijds ook voorwerp is van wantrouwen, vooroordelen en roddel. Soms doen ook journalisten daar subtiel aan mee, misschien omdat de beweging ondanks haar inzet voor democratie in het land geen (hiërarchische) structuur heeft en niet transparant is/zou zijn. Er zijn geen directieven, men lijkt van onderop spontaan te handelen, geïnspireerd door de ethiek van Gülen vanuit de VS.

Vervloeking
Het verklaart hoe Gülen enerzijds elke betrokkenheid bij het corruptieonderzoek ontkent en anderzijds de ontslagen ambtenaren in Turkije, van wie de meesten tot zijn beweging lijken te behoren, in een toespraak een hart onder de riem steekt. En tevens inzake de vreemde zuivering bij de politie een soort vervloeking uitspreekt naar hen, “die de dief niet zien maar achter degenen aangaan die de dief proberen te pakken, die niet de moordenaar zien, maar door het beschuldigen van onschuldigen anderen trachten te belasteren” met de uitspraak: “Moge God hen onheil aandoen” (22 december 2013). Het laatste herinnert aan oudtestamentische joodse profeten en is hoe dan ook een indicatie dat de ‘liefde’ over is – los van de vraag of die er wel ooit was. Premier Erdoğan komt voort uit de extreme en op de ‘politieke islam’ gerichte Milli Gorus, terwijl de Gülenbeweging daar niets mee heeft, geen ‘politieke islam’ voorstaat, ja zelfs bewust geen politieke partij wil zijn. Of dat laatste gezien wat nu gebeurt wel verstandig is, lijkt de vraag. De beweging verdient het, in elk geval in deze voor haar niet gemakkelijke situatie, dat de misverstanden over haar verdwijnen.

Vijandbeelden
Zo is de aantijging van de Nederlandse journalist Erdal Balci, als zou Gülen menen dat Erdoğan met het geven van taalrechten aan de Koerden “het Turkse karakter van het land opoffert”, onjuist. Gülen heeft zich juist positief uitgesproken voor het fundamentele recht van de Koerden om in hun eigen moedertaal te mogen spreken en onderwijzen. Trouwens ook voor het investeren in de (achtergestelde) Koerdische regio’s. Dat sommigen denken dat Gülen de Koerden wil assimileren in het Turk-zijn, is dan ook onterecht.

Voor de kemalistische elite was Gülen tot voor kort nog de ‘grootste vijand van Turks nationalisme’, terwijl vele conservatieve moslims hem zien als ‘landverrader’ en ‘afvallige’, zo niet als een ‘geheime kardinaal van het Vaticaan’ of een ‘agent van Mossad’. Het zijn vijandbeelden. Wellicht werkte het idee van de ‘Turkse islam’, die anders is dan de Arabische, de perceptie van ‘nationalisme’ in de hand. De door Gülen voorgestane Turkse islam is echter niet nationalistisch, maar wordt gekenmerkt door gematigdheid, mede onder invloed van het soefisme.

Dit artikel verscheen eerder onder meer in Het Parool (30 december 2013) onder de titel ‘Erdoğan zijn eigen vijand’.

Advertisements