29 december 2014HansFeddema

Interview met Hans Feddema door Robert Reijns van Nieuwwij.nl.

Hoe verklaart u de kerkverlating in het Westen?
“De leegloop is vooral zichtbaar in kerken waarin ‘het verstandelijk geloof’ domineert. De theologie stijgt er nauwelijks uit boven het ‘stellen van begrippen en doen van redeneringen’. Het gaat dan te weinig om innerlijk beleven en voelen. Ook in Nederland is het geloof nog te veel van ‘ons geloof en dus onze groep is de juiste’. In de rooms-katholieke kerk zijn macht, hiërarchie en moralisme, evenals de seksuele misstanden, redenen voor het zich afkeren van de kerk. De nieuwe paus ten spijt zijn de bisschoppen vrij autocratisch.

In de protestantse kerk maakte ‘vooral de leer de dienst uit’, zoals theoloog Harry Kuitert onderstreept in zijn nieuwe boek Kerk als constructiefout. Rondom de Heidelberger Catechismus ontstond een ideologisch bouwwerk met overtuigingen die volgens de vermaarde linkse predikant dr. J.J. Buskes de neiging hadden ‘gestolde lava’ te worden.

Veel sleetse dogma’s passen niet bij het levensgevoel van nu. Het elke zondag ‘mijn grote schuld’ moeten zeggen, of je zondig (moeten) voelen, soms te moeten horen ‘niet in staat te zijn tot enig goed’, maakt de mens klein. Dat veroorzaakt een laag zelfbeeld met alle gevolgen van dien. Theoloog Gijs Dingemans vraagt recent in Christelijk Weekblad om een ‘fundamentele bezinning op de geloofsleer van de kerk’. Ik zeg daar ja op.”

Hoe vindt u dat de kerken reageren op de leegloop?
“In contacten met de sympathieke voorzitter van de Protestantse Kerk in Nederland (PKN), dominee Karin van den Broeke, en met Leidse kerken, merk ik dat het hervormen een moeizaam proces is. Voorgangers wringen zich in het algemeen in allerlei bochten om de kerkverlating te stoppen. Dat zal niet lukken, tenzij ze hun denken en doctrines hervormen. We hebben nu andere hervormers nodig dan Calvijn of Luther. Zij verzetten zich weliswaar tegen katholieke misstanden, maar waren in hun mens- en godsvisie, erfzondeleer en andere dogma’s uit de tijd van Augustinus nog behoudender dan de katholieken.”

Welke hervormingen zijn er dan nodig?

“Los van een hervorming qua denken en dogma’s, moet er meer bezieling komen. We moeten ons veel meer richten op onze innerlijke en mystieke reis. Spiritualiteit komt neer op het zoeken van eenheid met het Mysterie zoals ook Jezus ons dat voorhield. Subtiel worden we daarbij trouwens al begeleid door de Geestelijke Wereld. Het heeft daarom geen zin om een ‘atheïstische kerk’ te verzinnen of een ‘religie zonder God’ te bepleiten, zoals de filosofen Theo de Boer en Ger Groot doen.”

Volgens u is er een ‘nieuwe spiritualiteit’ in opkomst waarin we een ‘groter bewustzijn’ ontwikkelen. Wat bedoelt u daarmee?
“Religies verwezen in hun ‘religare’ (terugverbinden) met name naar ‘een weg buiten onszelf’. God zou ook boven ons of op afstand zijn. Daar lijkt een einde aan te komen. De weg is nu meer ‘naar binnen’ en ook naar ‘God within’. Er is een ‘shift’ gaande van geloof naar ervaren, van religie naar religiositeit, van schuld naar genegenheid, van angst naar liefde en van dogma’s, naar waarden en naar bewustzijn. Kortom de roep onszelf te bewegen om zo de wereld in beweging te brengen. Of zoals Gandhi ons voorhield ‘zelf de verandering te zijn die we voorstaan’.

Het accent komt nu te liggen op spiritualiteit en mystiek. Men kan rechtstreeks contact hebben met de ‘goddelijke oerbron’. In de tijd van de mysteriescholen kregen mensen al psychologische lessen over hoe met zichzelf en de ander om te gaan. Daarna lijken de grote religies steeds minder te hebben gefocust op het coachen van mensen in hun innerlijke transformatie.

Het proces van individualisering lijkt bij onze evolutie te passen. Al tastend en struikelend wordt de mens autonoom. Niet alleen om troost te vinden, maar vooral om te leven vanuit de innerlijke, goddelijke oerbron. We ontdekken dat we vrij worden via het gaan van onze innerlijke weg zonder dat een externe autoriteit ons daarvan afhoudt. Een weg waarbij zelfkennis, mystiek, liefde en zielenkracht hoge ogen gooien.

In de postmoderne spiritualiteit denkt men steeds minder in tegenstellingen: licht versus donker, goed versus kwaad, man versus vrouw. Dit ‘dualiteitsdenken’ maakt plaats voor een ‘eenheidsbewustzijn’. Zo worden we steeds menselijker: echt individu en tegelijk deel van het geheel.

Socioloog Paul Heelas ziet in West-Engeland een ‘spirituele revolutie’ optreden, vooral buiten de kerken. VU-onderzoekster Joantine Berghuijs ziet dat dat in ons land ook al voor een klein deel in de kerken of bij kerkmensen gaande is. Marianne Williamson ziet zelfs ‘een spirituele renaissance door de wereld gaan die sommigen belachelijk maken, velen omarmen, maar door niemand tot stilstand is te brengen’.”

Negeren of ontkennen kerken dan de goddelijkheid van mensen?
“Lange tijd hebben kerken onze goddelijkheid en goddelijke gaven miskend. Denk aan de ‘kracht van de gedachte’, aan het innerlijke weten, helderziendheid, witte magie, (zelf)heling. Zweverig? Nee hoor. Alle mystici, de apostel Paulus en ook Jezus hebben daar ruime ervaringen mee.”

Merkt u van die ‘nieuwe spiritualiteit’ ook iets op andere continenten?
“Ik heb onderzoek gedaan in Afrika en Azië. In Afrika, waar de mens meer vanuit z’n hart leeft dan bij ons, is de geloofsbeleving minder verstandelijk. Die spiritualiteit, dus als ‘ervaren en toepassen van religie’, zoals ik het wel definieer, was er in wezen altijd al. Ik herinner me dat een Afrikaanse pastor van de zwarte Nederduits-gereformeerde kerk in Zuid-Afrika tegen me zei: ‘In onze blanke zusterkerk hebben ze het altijd over Woord en Belijdenis, terwijl wij in de diensten proberen God te voelen, ook via het zingen en soms ook via het dansen. Beleven is bij ons waar het om gaat’. Zodra de religie te institutioneel en te veel van bovenaf bestuurd wordt, loopt men weg. Ook in Afrika. In Sri Lanka zie ik dat ook, al is daar bij het boeddhisme de institutionalisering minder sterk.”

Is het wel juist om te denken dat we steeds betere mensen worden?
“Als ik zeg dat de moderne mens als een soort mysticus de goddelijke vonk in zich gaat ontdekken, dan schets ik een trend. We beleven een ‘geestelijke evolutie’. Vernieuwingen gaan daarbij hand in hand met (tijdelijke) regressies. Ik ben hoopvol over die trend, al kan ‘oud denken’ er nog lang gelijke tred mee houden. Dat we vandaag minder spreken over de mens als zondig en klein, maar meer over diens zielskracht, authenticiteit en individualiteit, vind ik positief. Maar als ik in de media hoor van oorlogsgeweld of van de wreedheden die in Syrië en Irak worden begaan, maakt mij dat niet blij. Ook niet als ik de context van de Arabische Lente als verlate democratische revolutie meeweeg, die bij ons al in 1795 begon.”

Mag je dan wel spreken van een revolutie?
“Nou, ik geloof er in! Gebeurtenissen, al of niet in oude conflicthaarden, die het tegendeel zouden bewijzen maken mij niet angstig. Ik geloof namelijk dat een negatief bewustzijn het negatieve aantrekt. Als historicus en socioloog en vanuit de perceptie dat de Geestelijke Wereld ons draagt, is het goed de evolutie van de mens te bezien vanuit een groot en algemeen perspectief. We zien een minder gewelddadig menstype ontstaan, mogelijk als gevolg van de reïncarnatie, waardoor meer en meer ‘oude zielen’ worden geboren. Hoe dan ook: een Harvard-onderzoek van Steven Pinker toonde in 2014 aan dat wij in het bestaan van onze soort vandaag in de meest vreedzame tijd ooit leven. Hij onderzocht het geweld in de wereld, inclusief dat van oorlog en van moorden in grote steden, en kwam tot de conclusie dat dit vanaf de Middeleeuwen bijna elke eeuw en recent elke vijfentwintig jaar minder is geworden. Hans Achterhuis zegt in zijn boek De kunst van vreedzaam vechten hetzelfde. Pinker deed ook nog attitudeonderzoek en concludeert dat empathie en zelfbeheersing hoog scoren en zeker hoger dan sadisme en wraak. Gaan we dus toch in de richting van ‘betere’ mensen?”

De bijbelse Apocalyps lijkt zo ver te zoeken…
“Ja, je ziet ook de nieuwe spiritualiteit langzaamaan opkomen bij mensen, maar dan meer in de vorm van mystiek. Bijvoorbeeld zoals bij het soefisme, kabbala, en ook via mindfulness, yoga, qigung en meditatie en andere Aziatische vormen van spiritualiteit.”

U gelooft in reïncarnatie. Waarom?
“Ik geloof in reïncarnatie vanuit ‘innerlijke weten’. Reïncarnatie was 2000 jaar terug vrij universeel. Ook Jezus dacht met zijn leer of visie in die termen, dus dat de mens een goddelijke kern in zich heeft en dat wij hier als ziel tijdelijk zijn om te leren en om innerlijk te groeien in dit en in volgende levens. Hij verwees bijvoorbeeld aan Nicodemus naar zijn innerlijke reis via de term ‘wedergeboorte’. Hij bedoelde dit als concept voor innerlijke groei. Dat is vooral functioneel als je, wat wel wordt vergeten, daarin de rol van de ziel in het lichaam als zijn tijdelijk voertuig betrekt. Later werd reïncarnatie voor de kerk een onderwerp van discussie met als gevolg dat dit op een concilie helaas in de ban is gedaan. Het paste niet bij de kerkelijke, de mens klein makende, erfzondeleer.

Religies zijn trouwens onderhevig aan de kosmische wet dat alles vergankelijk en een voortzetting is. Religies vervulden behalve het maken van de nodige fouten een nuttige functie om de mens te helpen na zijn incarnatie als ziel op aarde. Vandaag lijken religies andere of meer kleinschaliger vormen te gaan krijgen, nu de mens via ‘God within’ meer rechtstreeks contact kan hebben met zijn Oerbron.”

Hoe bent u eigenlijk tot al dit spirituele gedachtegoed gekomen?
“Ik ben geboren en getogen in de calvinistische zuil van ‘kerk, school, en staat en maatschappij’. Mijn lyceum in Hoogeveen had een christelijke grondslag. Ik ging niet in Groningen maar in Amsterdam aan de Vrije Universiteit studeren. De kerk als instituut en qua leerstellingen boeide me minder, maar de persoon Jezus en zijn spiritualiteit wel. Al in m’n studententijd kwam ik – mede daarom – regelmatig in Benedictijner kloosters. Ik sloot me daarnaast aan bij de christen-radicale beweging en speelde daar, tevens als universitair docent aan de VU, een leidende rol in. Dat lijkt tegenstrijdig, maar ik vond dat behoudzucht en macht troef bleken in de confessionele partijen.

Voor antropologisch onderzoek kwam ik veel in Afrika, bij Tswana’s in Transvaal en Botswana, waardoor ik ook periodiek dialoog voerde met blanke Zuid-Afrikanen: de uitvoerders of ondersteuners van het apartheidsbewind. Het raakte me dat zij hun repressie jegens zwarte landgenoten probleemloos verenigden met het elke zondag vroom ter kerke gaan. Daardoor, en ook door mijn latere inzet voor een christelijk-progressieve politieke partij, ging ik nadenken over wat Jezus bedoelde met z’n oproep om te leven vanuit ‘het koningschap van God’. In de kerk werd dat vaak politiek geduid, maar ik begreep al snel dat Jezus bedoelde om net als hij te gaan leven vanuit Godbewustzijn. Hij zei immers steeds dat dit koningschap ‘in u’ is, in ons binnenste. Simon Vestdijk onderscheidde in z’n boek De Toekomst van Religie (1945) drie typen van christendom: de traditioneel-dogmatische, de ethische en de mystieke, waarvan hij alleen de laatste authentiek vond. Zelf nam ik steeds meer afstand van die eerste vorm, zij het dat ik het lidmaatschap van de kerk niet opzegde. Mede onder invloed van Carl Gustav Jung, Thich Nhat Hanh, Inayat Khan, Eckhart Tolle, Deepak Chopra, Roemi en Marianne Williamson evolueerde ik steeds meer naar de derde vorm: het leven van binnenuit, vanuit je Bron jezelf en de ander liefhebben.”

Advertisements