Een interview met Hans, dat werd afgenomen ter gelegenheid van het 27ste lustrum van het Studentencorps aan de Vrije Universiteit in Amsterdam/L.A.N.X., gepubliceerd in het bijbehorende lustrumboek.
Feddema-Gandhi

Hans Feddema werd een tiental jaren voorafgaande aan de Maagdenhuisbezetting lid bij het Studentencorps aan de Vrije Universiteit. Na zijn studies aan de Vrije Universiteit en aan de Universiteit van Amsterdam was hij jarenlang werkzaam als universitair docent, onderzoeker, journalist en politicus. In 1989 was hij een van de ruim tien oprichters van GroenLinks.

Studententijd
Hans Feddema werd geboren in Geesbrug-Nieuwlande in Drenthe. Na het behalen van zijn gymnasiumdiploma in Hoogeveen vertrok hij naar Amsterdam om geschiedenis aan de Vrije Universiteit en culturele antropologie aan de Universiteit van Amsterdam te gaan studeren. Hij vond Amsterdam een mooie stad en zijn ouders had- den een voorkeur voor de VU. Lid worden bij het Studentencorps aan de Vrije Universiteit was daarbij iets vanzelfsprekends.

Spijt van die keuze heeft hij nooit gehad. Hij beschouwde zichzelf niet als een ‘L.A.N.X.-tijger’, maar deed wel graag mee en vond feestjes, sociale activiteiten en corpslezingen leuk. De studie kwam wel altijd op de eerste plaats, en ook het verkennen van Amsterdam buiten de sociëteitsmuren speelde een grote rol. Hij bleef na zijn studie en door zijn baan als universitair docent aan de VU dan ook lang in Amsterdam hangen. “Na onderzoeksperiodes in Afrika en Zuid-Azië kwam ik toch altijd heel graag weer terug in Amsterdam”.

Zijn lidmaatschap bij L.A.N.X. was dus slechts een deel van zijn studententijd, maar toch geeft hij aan er veel van geleerd te hebben. Spreken voor een groep, leiding geven, maar ook het omgaan met elkaar. “Ons emotionele bestaansniveau, dus hoe met jezelf en anderen om te gaan, krijgt op scholen te weinig aandacht. In het bedrijfsleven zie je daarvan ook de gevolgen, dat mensen niet met elkaar door één deur kunnen. Het is daarom goed om daar al jong en in het studentenleven mee bezig te zijn”. Voor je emotionele groei is ook omgang met mensen van andere studies belangrijk. “Je wordt anders al snel een vakidioot”.

Hij kwam terecht bij de o.v. Polydeukes en heeft hier goede herinneringen aan. Zo kan hij zich de viering van de dies en lustra nog wel goed herinneren. Het ging er weleens om of je als jongerejaars een mooie vrouw bij het diesfeest kon meenemen. “Als het echt een mooie vrouw was, had je die niet alleen, maar kwamen de ouderejaars op je af”, vertelt hij lachend. Contact met dispuutsgenoten heeft hij nog steeds, maar vooral op individueel niveau. “Ik ga niet meer naar die massale lustra. Dat omdat ik veel in het buitenland zit en zat, maar ook omdat ik informele contacten leuker vind”.

Naast zijn lidmaatschap bij zijn eigen dispuut was hij ook medeoprichter en later erelid van het destijds nieuwe dispuut Boreas, wat hij een leuke ervaring vond. “Op zo’n manier kun je zelf ook leren hoe te helpen en aangeven op wat voor manier zo’n club op te zetten. Ik heb ook nog steeds een band met hen en had in juni nog een gezellige reünie met veertien oudere Boreanten in de mooie binnenstad van Zwolle”.

Leraar geschiedenis of aardrijkskunde was zijn voorland, meende hij. Hij besloot al vroeg hierin alvast wat ervaring op te doen. Zo ging hij tijdens zijn studie één dag in de week lesgeven op een middelbare school in Haarlem, waardoor hij ook financieel minder afhankelijk werd van zijn ouders. “Een uitdaging om als jong docent te leren je staande te houden in de klas. Het ging leuk, ook al maakte ik eerst wel foutjes. Aardrijkskunde is leuk om te geven. Geschiedenis ook, maar dit kan toch wat taai overkomen. Smeuïge verhalen en humor doen het dan goed”. Later gaf hij ook les in Amsterdam, op een MMS-school en op het gymnasium aan de Keizersgracht.

Geweldloos ‘activisme’
Eenmaal afgestudeerd stopte Feddema met lesgeven en zocht hij naar een onderzoeksgebied, wat algauw Zuid-Afrika werd. Zijn historische afstudeerscriptie ging over ‘Abraham Kuyper en Wereldoorlog I’, een oorlog waarin ook Zuid-Afrika een rol speelde via het op Brits verzoek veroveren van de Duitse kolonie Zuid-West Afrika, het latere Namibië. Mede via zijn bestuurslidmaatschap van het Nederland-Zuid-Afrika Instituut in Amsterdam verkreeg hij een stipendium voor zowel historisch als antropologisch onderzoek in Zuid-Afrika. Hij koos – na eerst avontuurlijk ook West-Afrika te hebben aangedaan – in overleg met de Universiteit van Pretoria voor het laatste en wel in een drietal Tswana-stammen in West-Transvaal. Die periode van drie jaar onder de Tswana’s en überhaupt in het ‘moeilijke’ apartheidsland van toen noemt Feddema een van zijn meest boeiende perioden. Door zijn onderzoek en vaak intensieve dialoog met ‘worstelende’ blanke ‘kopstukken’ in het land werd hij terug in Nederland al gauw gezien als een Zuid-Afrikadeskundige, waardoor hij soms werd afgevaardigd als vertegenwoordiger vanuit Nederland op internationale consultaties van de Wereldraad van Kerken. Ook werd hij voorzitter van een synodale werkgroep, die Nederlandse bedrijven met vestigingen in Zuid-Afrika vroeg om op ‘eigen terrein’ apartheid, zoals ‘gescheiden liften’ en dergelijke, ongedaan te maken. Zijn dissertatie over de Tswana droeg hij op aan dr. Beyers Naude, bekend om zijn stellingname tegen apartheid, met wie hij ook wel op bezoek ging bij mensen als bisschop Desmond Tutu. Een en ander leidde ertoe dat hij weleens van het apartheidsbewind een ‘banning’ aan de broek kreeg, wat hem tijdelijk deed uitwijken naar Botswana, waar hij ook een onderzoeksproject had, onder andere in Naledi, een ’squatter’ wijk van Gaberone. “Zuid-Afrika vormt hoe dan ook met het mooie Botswana een wezenlijk deel van mijn leven’’. Hij bewonderde Mandela en diens beleid van verzoening.

Na zijn eerste onderzoek van drie jaar onder de Tswana wilde hij niet per vliegtuig terug, maar eerst nog meer van het echte Afrika zien en beleven. Hij verzond zijn onderzoeksmateriaal per post, verkocht zijn oude auto en ging in Pretoria liftend (als student deed hij dat ook wel in Nederland) aan de kant van de weg staan. Wat hij op die tocht, vooral in Oeganda en Soedan, waar toen grote spanningen waren, ervoer, is een verhaal op zich volgens hem. Belangrijker in zijn optiek is dat hij vrijwel meteen na aankomst via een suggestie van een vriend de uitdaging aannam om te solliciteren op een vacature voor de vakgroep niet-westerse sociologie bij de Vrije Universiteit (zij het na enige twijfel; hij was namelijk nog niet gepromoveerd). We zien hierbij evenals bij het liften van Pretoria naar Cairo, een stukje karakter van Feddema, die als raad meegeeft om af en toe zichzelf flink uit te dagen. Of in elk geval, via de kracht van de gedachte of van de intentie, zich ergens op te focussen. Na het boeiende onderzoek in Afrika was die baan een goede keuze volgens hem. Hij werd al gauw – voor 25 jaar zoals later bleek – ook secretaris van de vakgroep NWS, geleid door Pim Schoorl. Naast deze bestuursfunctie ging het bij zijn baan om college geven, wat hij erg leuk vond, en om onderzoek. Na nog twee keer enkele maanden veldwerk bij de Tswana rondde hij zijn proefschrift af. Bij de verdediging daarvan waren er zo’n 600 mensen aanwezig. Die opkomst had met zijn netwerk te maken, of vooral ook met het feit dat hij, zoals hij zelf aangeeft, op dat moment tevens ‘vernieuwend’ in de politiek bezig was en zo al enige bekendheid had.

Onderzoek deed Feddema later in overleg met de vakgroep ook in India over ‘Mahatma Gandhi en zijn betekenis’ en vooral tot op vandaag in Sri Lanka in het boeddhistische vissersdorp Dodanduwa. Naast de ‘moral economy’ aldaar en andere vormen van samenwerking waarover meerdere publicaties verschenen, publiceerde hij over ‘Vervloeking in naam van Boeddha’ bij Seenigamma en over demonenuitdrijving in naam van Boeddha met de titel ‘Het mindere geweld van het bloedoffer, de zondebok’, waarover hij samen met het audiovisuele centrum van de VU ook een korte film maakte. De vervloeking vond plaats op een eilandje net aan de kust. Dat kon niet in het dorp zelf. “Men wist al van de kwantumfysica”, zegt hij lachend, “dus dat alles energie is, althans dat de geweldsenergie van de vervloeking het dorp zou schaden”. De demonenuitdrijving gebeurde met muziek, eten en (wilde) dans. Onderzoekers zagen dit niet als het voorspel volgens Feddema en vertrokken meestal om elf uur, maar het echte kwam ver na middernacht. De demonen maakten zich bekend, begonnen ineens te spreken via de bezetene, daarbij hun eisen op tafel leggend voor om de bezetene zijn of haar vrijheid weer terug te doen hebben. “Wat er precies gebeurde en hoe alles wetenschappelijk te duiden, heb ik onderbouwd in een Brits tijdschrift beschreven, evenals in de film, waarbij ik ook refereer aan de mimesis-theorie van Rene Girard”. Maar hij had deze rituelen, die wel met zo’n honderd omstanders, maar toch op een eenzame afgelegen plek gebeurden, niet kunnen doen zonder warme relaties in het dorp, zonder mensen die hem hun fiets leenden en beschermden. “Je moet als antropoloog echt vertrouwen winnen van mensen, belangstelling voor hen tonen, dus deel worden van het dorp, de ’slum’ of de ’stam’, wat me meestal goed lukte”. Naast het ‘in het veld’ zijn onder mensen, vond Feddema ook het contact met studenten fijn, vooral in werkcolleges.

Politiek
Feddema was ook politiek actief. Opgegroeid in een antirevolutionair gezin, sloot hij zich op jonge leeftijd aan bij de ARJOS, de jongerenorganisatie van de ARP (Anti-Revolutionaire Partij). In zijn studententijd was hij zelfs voorzitter van de Amsterdamse ARJOS. Al snel voelde hij zich meer verbonden met de christenradicale stroming. “Ik ben, zeker nu, niet zo erg voor confessionele politiek – religie verbinden met macht geeft vaak moeilijkheden of inconsistenties –, maar als je het doet, moet het authentiek zijn, dus gericht op vrede, gerechtigheid, compassie en duurzaamheid en dat dan samen met mensen en partijen, die ook de samenleving hervormend willen verbeteren”. Met mensen als Dick Kuiper, Jan van Putten en Bas de Gaay Fortman stond hij een progressieve politieke visie voor die beducht was, dat er in confessionele hoek een behoudend machtsblok zou kunnen ontstaan via het CDA. Toen dat laatste niet te vermijden viel, ontstonden afscheidingen als de PPR en de EVP (Evangelische Volkspartij). Feddema was een van de oprichters van de laatste, was sinds 1982 vicevoorzitter en werd naast zijn docentschap aan de VU onbezoldigd directeur van het Wetenschappelijke Bureau van de partij in Den Haag met drie medewerkers, waaronder twee economen.

Uiteindelijk gingen in 1989 de PSP (Pacifistisch Socialistische Partij), CPN (Communistische Partij van Nederland), PPR (Politieke Partij Radikalen) en de EVP samen en vormden GroenLinks. Feddema voerde hierbij de fusiegesprekken namens de EVP. Binnen GroenLinks heeft hij daarna meerdere functies bekleed. Zo was hij lid van het eerste partijbestuur en van de redactie van het magazine ‘GroenLinks’. Zijn voornaamste werk lag echter, mede als voorzitter van de werkgroep Midden-Oosten, in het buitenlandberaad van de partij, namens wie hij ook meerdere keren op missie naar het Midden-Oosten werd gezonden, soms ook samen met groene parlementsleden uit de Benelux. In 1998 en 1999 was hij lid van de Provinciale Staten van Zuid-Holland voor GroenLinks en De Groenen. Daarnaast is hij tegenwoordig nog adviserend lid van de kerngroep van De Linker Wang, het platform voor spiritualiteit en politiek binnen GroenLinks. Ondanks zijn vele activiteiten op politiek gebied ziet hij zichzelf toch eerder als journalist en antropoloog-filosoof dan als politicus. “Aan de politiek heb ik geroken, vooral als Statenlid. Ik richtte een politieke partij op en ben medeoprichter van GroenLinks. Ik deed misschien wel wat op politiek gebied, maar diepere reflecties over democratie of zo liggen me meer dan partijpolitiek. Er was een vernieuwingsbeweging, en daar ben ik in gesprongen. Ik vond dat die gesteund moest worden. Maar ik zie mezelf niet als partijpoliticus, ik wilde gewoon aan nieuwe idealen bijdragen. Dus wat dienend bezig zijn vanuit een zekere bevlogenheid of engagement die of dat ik heb, naast mijn werk in de wetenschap en journalistiek.”

Journalistiek
Naast zijn wetenschappelijke publicaties schreef Feddema ook tal van journalistieke artikelen in dag-, week- en maandbladen. Hierin komen zijn antropologische achtergrond en ontwikkelingen in het buitenland naar voren. “In dat opzicht overlapt het wetenschappelijke en journalistieke elkaar een beetje. Ook in de wetenschap moet je een goede pen hebben, en in mijn journalistieke artikelen zie je weer veel van mijn antropologische achtergrond naar voren komen”. Hij heeft veel geschreven over het Palestina-conflict, waarbij voor hem niet het (militair) partij kiezen, maar vooral vrede en eerlijk delen (van macht en grondgebied) centraal staan. “Ik ben voor vrede tussen de Palestijnen en de Israëliërs. Niet eenzijdig en door dik en dun, maar altijd via een ‘derde weg’, links van het midden. Het heeft te maken met de visie van ‘vrede door gerechtigheid’, dus: door middel van”. Hij schreef over dit conflict ook het boek ‘Sjalom/Salam: naar rechtvaardige vrede en duurzame samenwerking in het Midden–Oosten’. De geweldloze weg naar een oplossing van een conflict is wezenlijker dan het doel, leerde ik van Gandhi. Van hem is de uitspraak: ‘Het is mijn grootste succes, dat Britten mijn land verlieten als vrienden’. Ik onderschrijf de uitspraak van Rabin, gedaan toen de intifada nog geweldloos was: ‘Een leger kan een leger verslaan, maar kan niet een volk verslaan’”.

De laatste tijd behandelt hij ook veel andere onderwerpen, zoals de situaties in Syrië, Irak en Turkije. In zijn onderwerpen staat de polemologie vaak centraal. Daarin komt zijn persoonlijke engagement, de visie van Gandhi en zijn wetenschap of zijn antropoloog zijn samen. Deze aspecten komen ook naar voren wanneer hij het heeft over Nederlandse jongeren die zich bij IS willen aansluiten. “Wij zouden als senioren jongeren die erover denken naar Syrië te gaan moeten waarschuwen. In ‘hun huid kruipen’, de dialoog met hen aangaan om samen te leren van de ‘het geweld romantiserende’ tijd van de Baader-Meinhof-Groep, toen we ook pas achteraf merkten dat de geweldsweg niet werkt”. Toch is hij, ondanks de vele conflicten in de wereld, absoluut niet somber over de toekomst. “Er is een onderzoek van Steven Pinker waaruit blijkt dat al vanaf de Middeleeuwen een evolutie gaande is in de richting van afname van geweld en oorlogen, hoe vreemd dat nu ook mag klinken. Een afname, die Harvard-onderzoekers vaststelden, ook qua (criminele en lust)moorden in grote steden. Een afname die ook thans nog elke dertig jaar te constateren is, zodat wij kunnen zeggen nu ‘in de meest vreedzame tijd van ooit te leven’. We zijn er nog lang niet, maar er lijkt niettemin een ontwikkeling te zijn in positieve richting, waarbij volgens Pinker zelfs attituden van compassie en respect voor elkaar toenemen. Slowly, but steady”.

Feddema ziet zichzelf daarnaast ook wel “een beetje als een vredesactivist”. In de jaren zeventig en tachtig, dus in de tijd van de Koude Oorlog, werd hij actief binnen de vredesbeweging en stond hij aan de wieg van de volkspetitionnement tegen de stationering van kruisraketten in Nederland. In de jaren negentig was hij ook betrokken als vredesactivist na het uiteenvallen van Joegoslavië. Ook was hij meerdere malen op vredesmissie in Bosnië, Servië en Kosovo.

Levenskunst en spiritualiteit
Zoals in artikelen en in zijn vier columns – in Vredesmagazine, De Linker Wang, Hooglandse Nieuwe en Zaman Vandaag – duidelijk naar voren komt, is Feddema veel bezig met oorlog en vrede naast filosofie en spiritualiteit. Zo is hij al jaren voorzitter van de landelijke Gandhiaanse vredesorganisatie SVAG (Stichting voor Actieve Geweldloosheid). De SVAG is een organisatie van mensen die zich niet willen neerleggen bij het gebruik van geweld in persoonlijke, maatschappelijke en politieke situaties. Daarom wordt gewerkt aan geweldloosheid als levenswijze en als middel in de strijd tegen onrecht, onderdrukking, vervuiling en vernieling. De stichting, die sinds 2010 de naam ‘Beweging voor Geweldloze Kracht’ draagt, wil daarmee een bijdrage leveren aan de totstandkoming van een cultuur van vrede en geweldloosheid. Ook bouwt hij sinds midden 2013 zijn grote huis in de binnenstad van Leiden niet ver van De Burcht regelmatig om tot het druk bezochte ‘Filosofisch Café Leiden’. Daarin staat levenskunst centraal. Ook gaat hij spiritualiteit niet uit de weg. Hij meent, dat “spiritualiteit de kern van ons bestaan raakt”, namelijk de “verhouding tot of de verbinding met het Absolute”. Over filosofie en spiritualiteit publiceert hij de laatste tijd ook regelmatig op zinweb.nl, civismundi.nl, joop.nl en in maand- blad PRANA en het op ‘Happinez’ lijkende, maar oudere magazine Spiegelbeeld. Op het Filosofische Café Leiden komen zowel mannen als vrouwen van jong en oud af, die geïnteresseerd zijn in levenskunde. “Mensen zijn zoekende, ze zijn op zoek naar nieuwe inzichten”. Er worden altijd sprekers van buitenaf uitgenodigd, die over een bepaald thema spreken. De belangstelling voor het filosofisch café komt volgens Feddema niet onverwachts. “Alles is in beweging, we leven in een cultuuromslag. Er is een overgang gaande van dualiteits- naar eenheidsbewustzijn, dus dat we meer het gevoel krijgen, dat we één zijn. We hebben een lichaam en een brein, maar we zijn het niet: de sturende factor is ons bewustzijn of onze ziel. Het gaat dus ook niet meer om ‘hebben’, maar om ‘zijn’”. Hij noemt hierbij ook het belang van het verschil tussen de linker- en rechterhersenhelft. “De rechterhelft is de kant van het idealisme, de bevlogenheid en de vrolijkheid, de kant van liefde, zachtheid en compassie. De linkerhelft is meer de kant van controle, negativiteit, onzekerheid en besluiteloosheid. Maar vooral de kant van de controlfreaks. De linker- en rechterhelft moeten dus in balans zijn. Dat wil zeggen: de linkerkant ongeveer 30% en de rechterkant 70%. Van de linkerkant heb je wel een bepaalde hoeveelheid nodig, we moeten in het leven altijd ook wat regelen en structureren, maar als deze gaat overheersen worden we ‘regelooms en regeltantes’. Als we, ook wat de hersenhelften betreft, in balans zijn, leven we ook meer vanuit ons hart. In Afrika was ik vaak gelukkig, omdat de meesten daar vanuit hun hart leven”.

Recent houdt Feddema zich als socioloog ook bezig met de leegloop van de kerken. Dit verschijnsel heeft volgens hem te maken met de te sterke focus op ‘verstandelijk geloof’ van veel kerken, waarbij het te weinig gaat over innerlijk beleven en voelen en te veel over het stellen van begrippen en doen van redeneringen. Naast steunlid van de Universele Soefi’s (Witteveen c.s.), is hij lid van de autonome en levendige Leidse Ekklesia en van de PKN. Die laatste riep hij recentelijk op om vele van haar dogma’s bij te stellen, zoals de ‘Drie formulieren van Enigheid’, die hij bij zijn komst aan de VU nog moest ondertekenen, voorts de ‘5 artikelen tegen de Remonstranten’ te herroepen en uiteraard volgens hem de formulering van ‘de mis als vervloekte afgoderij’ ongedaan te maken. “Ik ben van mening dat vele dogma’s van de kerk niet meer passen, als het ware overleefd zijn. Er is ook hier een omslag gaande, kerken lopen drastisch leeg, vooral de katholieke kerk, maar ook de protestantse. Ik constateer behoefte aan een nieuw bewustzijn, een nieuw denken. Huiskamerbijeenkomsten en filosofische cafés doen het dan ook goed”. Spiritualiteit heeft volgens hem de toekomst. Het raakt zijns inziens de ‘kern van het bestaan’, namelijk de verbinding met het ‘Absolute’. Hij omschrijft het als ‘de toepassing van religie’ en als ‘mystiek’, dat wil zeggen de ‘innerlijke beleving van het mysterie’.

Advies
Tot slot heeft Feddema nog een advies voor de leden van L.A.N.X.: ”Ga de uitdaging aan en stort je in het leven. Heb contact met je innerlijke zelf en probeer, zoals de psycholoog Carl Jung al verkondigde, ook je verdrongen schaduwen te helen. Zo kun je blij en liefdevol opereren en ook wat betekenen voor anderen. Go with the flow, ga mee met de goddelijke Levensstroom. Maakbaarheid? Of is het meer loslaten en vertrouwen? ‘Het gaat zoals het gaat, het is zoals het is en het komt zoals het komt’, is een gevleugeld woord. Wees niet te overmoedig, maar ook niet te voorzichtig. Ga als een idealistische realist of een realistische idealist je uitdagingen aan. Geef je zonder angst over aan het leven. Het draait om liefde in het leven, niet om angst. Angst verlamt en is vaak een verkeerde raad. Het is als energie een selffulfilling prophecy. Als je zegt ‘ik kan het niet’, is dat ook de uitkomst. Als je zegt ‘ik kan het’, dan kun je het. Met andere woorden: ‘Wij zijn de magiërs van ons eigen leven’. Het is dubbel. We worden subtiel geleid en gedragen, maar doen het ook zelf vanuit onze ziel”. Wat je zegt en denkt is geen peanuts. Als je elke ochtend met negatieve gedachten en woorden opstaat, trek je vanuit het ‘energieveld om je heen’ het negatieve aan volgens Feddema. “Alles is energie en trilling. Negatieve woorden kaatsen terug naar je eigen cellen. Je projecteert wat je verdringt vaak op anderen. Daarom is ‘het erkennen van je verdrongen schaduwen al heling’ volgens Carl Jung. Het maakt je milder naar de ander, zodat het minder de ander is die ‘het altijd doet’. Het is dus belangrijk om positief in het leven te staan, zij het zonder arrogantie”. Hij bepleit of adviseert in het leven altijd het avontuur en de uitdaging aan te gaan, maar daarbij qua attitude de middelen van liefde en mildheid hanterend en fanatisme proberen te vermijden. “Het gaat om de Middenweg in termen van de Boeddha”, aldus Feddema.

Advertisements