Opiniepeilingen gaan heen en weer, antidemocratische partijen zijn populair en kabinetten lijken nogal eens voortijdig te vallen. Zit Nederland in een politieke crisis?
De 93-jarige NRC-columnist J.L. Heldring meent dat. Door de ‘ineenstorting van de zuilenmaatschappij’, zegt hij in een Volkskrantinterview. Een politieke? Dan zeker een kerkelijke crisis. Ik was op 15 april aanwezig bij het VU-symposium over het pas verschenen boek van godsdienstsocioloog Gerard Dekker: Heeft de kerk zichzelf overleefd? Dit ging niet over de onthullingen van seksueel misbruik in de katholieke kerk – onderzoek in de VS wijst overigens tevens op zulk misbruik bij protestanten – en ook niet over het in de ban doen van spirituele liederen van Huub Oosterhuis. Het gaat Dekker erom dat de kerk te veel maatschappelijk bezig is in plaats van zich te concentreren op haar kerntaak: ‘de omgang met God’. Maatschappelijke werk kan beter apart en niet onder de kerkelijke noemer, stelt hij. Maar hebben de kerken juist niet dáárdoor nog krediet? Het leeglopen van de kerken lijkt eerder te wijzen op het niet meer adequaat zijn van haar inspiratie. Dus dat mensen zich daarvan vervreemd voelen, zoals godsdienstsocioloog Ton Bernts van het rooms-katholieke onderzoeksbureau Kaski stelde.
Religies zijn, zo leert de antropologie, een model om de wereld te duiden of een poging het onnoembare te benoemen, maar tegelijk ook een regiem. Een regiem dat als ethiekbrenger in de samenleving tijdelijk nuttig is, maar als beheersinstituut al gauw ook deel van het probleem wordt. In een zuilensamenleving kon de kerk het denken van de mensen perfect beheersen. Er was toen vaak sprake van drukkende sociale controle, moralisering en hiërarchische gezagsverhoudingen. Mensen hadden nog weinig ik-bewustzijn. Een Brabantse vrouw zei me eens dat ze tot haar achttiende nooit ik had gezegd, steeds wij. Het wijst op een sterk in-group-gevoel waarbij, los van intern geweld jegens zwakkeren, de eigen groep op een voetstuk werd geplaatst en leden van de out-group niet zelden een stigma kregen. Het gaf een eenzijdige programmering, die niet zo maar (geheel) weg is, ook al zijn we de zuil van de jeugd, of de politieke partij die erbij hoorde, al ontgroeid. Ziedaar, waarom Geert Wilders succes boekt met zijn beleid van stigmatisering van de ‘out-group’.








